donderdag 7 april 2011

Een moment van omkering

Opeens kantelt er van alles. Op klein vlak: dochter verlaat het huis en gaat samenwonen. Op groter vlak: traditionele waarheden blijken opeens niet meer te kloppen.

In de oude wereld was alles overzichtelijk: defensie was een speeltje van rechts, en daar ging altijd maar meer geld naar toe. Als Erkend Gewetensbezwaarde Militaire Dienst wist ik dus waar mijn vrienden en vijanden zich ongeveer bevonden.

Nu hebben we een rechtse regering en alle ‘linkse hobby’s’ (cultuur, sociale voorzieningen, ontwikkelingssamenwerking, stadsopbouw, gezondheidszorg, ouderenzorg) worden doeltreffend om zeep geholpen. Maar ook defensie wordt uitgehold. Tanks, Cougars, mijnenvegers: alles blijkt opeens wel te kunnen worden afgeschaft. Onnodig, verouderd, niet meer strategisch inzetbaar.

Dat is op zich al een verbazingwekkende omwenteling: rechts bezuinigt op een rechtse hobby, waar de defensieministers uit vroegere linkse kabinetten zich steeds erg op de consensus-vlakte hebben gehouden met hun kaasschaafbezuinigingen.

Maar het kan nog gekker. Zojuist hoorde ik Wim van den Burg, de woordvoerder van de militaire vakbond, op de radio zonder blikken of blozen het volgende zeggen naar aanleiding van de bezuiniging van een miljard op de defensiebegroting: ‘Het is zeer onverstandig om tanks weg te bezuinigen. Al die opkomende economieën zoals China en India, bouwen flink aan hun defensie-apparaat. En dat doen ze traditioneel, met tanks en grondtroepen. Die tanks hebben we dus gewoon nodig, terwijl heel Europa ze nu dus onterecht aan het wegbezuinigen is.’
‘Maar,’ vroeg de interviewer verbaasd, ‘moeten we dan bang zijn voor een oorlog met India en China?’ Het antwoord dat Van den Burg gaf was zo vaag dat het niet weer te geven is, maar de suggestie was duidelijk: ‘Als we geen vijanden meer hebben, dan bedenken we toch gewoon nieuwe!’

Een vakbondsman probeert dus met volslagen irreële redeneringen nieuwe boemannen te verzinnen om deze traditioneel rechtse hobby in stand te houden. Hij pleitte zelfs voor flinke extra investeringen in defensie. Het moet niet gekker worden. Ik kan me voorstellen dat voormalig politiek NOS-verslaggever Hans Hillen af en toe ook niet meer weet hoe het zit.

En dan heb ik het nog niet over de democratische bewegingen die in de Arabische wereld proberen om van binnenuit de dictators, ònze dictators overigens, omver te werpen. Zelfs Wilders weet even niet meer wat hij erover moet zeggen.
Misschien dat Wilders binnenkort gaat pleiten voor meer geld voor cultuur, de omroepen en de vakbonden en tegen deze tsunami van bezuinigingen op weerloze militairen. Het zou me inmiddels niks meer verbazen.

Mijn dochter is intussen heel gelukkig met haar bescheiden flatje. Ik hoop voor haar dat die Indiërs en Chinezen nu nog maar even wegblijven!

zondag 16 januari 2011

Iedereen zijn eigen Joni Mitchell

Op een middag dat de meisjes in feestelijk verband naar een tentoonstelling zijn, draai ik eindelijk weer eens op hoog volume ‘Hejira’ van Joni Mitchell. Voor mij een legendarisch album.

Hejira verscheen in 1976. Mijn broer had me aangeraden om haar album The hissing of summer lawns (1975) aan te schaffen. Ik kende een paar liedjes van de radio en besloot mijn spaarvarkentje om te keren. Toen ik bij vanLeest in Eindhoven vroeg naar The hissing, wisten ze me te melden dat er inmiddels ook al een nieuwer album van Joni Mitchell verschenen was. In een overmoedige bui kocht ik ze allebei. En oh oh, wat viel dat tegen. Hejira bleek een experimenteel album vol vreemde akkoorden en ongewone basgeluiden. Ik heb de elpee in de kast gezet en me eerst maar eens een half jaar vermaakt met The hissing. Met dat album bleek JM afscheid te willen nemen van haar folkie-periode. Liedjes over het wilde Parijs en experimentjes met The Burundi Drums: dat bleek achteraf een mooie overgang naar Hejira.

Toen ik eenmaal wel zo ver was dat ik Hejira een keer draaide, greep het album me volledig bij de lurven. Die onaardse klank van Jaco Pastorius’ fretloze basgitaar en de vreemde gitaarklanken van Larry Carlton en Michell zelf; jazzinvloeden en verwijzingen naar Beale Street en Amelia Earhart. Teksten vol beelden uit een lange road trip vanuit autoramen, treinen, vliegtuigen, hotelkamers. De worstelingen van een vrouw met hartstocht, male chauvinist pigs en Don Juans, heimwee en een verloren moederschap. Een album dat me nog altijd tot tranen brengt. Vanmiddag ook weer.

Eén frase is me altijd bijgebleven en minstens een keer per week cirkelden die zinnetjes door mijn hoofd in de afgelopen vijfendertig jaar:

People will tell you where they’ve gone
They’ll tell you where to go
But ‘till you get there
Yourself you’ll never really know

Het is altijd een troost voor me geweest dat iemand van haar statuur me kon vertellen dat ze eigenlijk ook niet wist waar ze naar toe onderweg was. En dat je dat pas te weten komt als je er bent aangekomen. En dat je dan niet alleen je bestemming vindt, maar ook jezelf. In mijn geval moest ik de vijftig passeren voordat ik eindelijk mijn bestemming vond. En daar heeft mevrouw Mitchell me stevig bij begeleid. Zelf heeft ze ook doorgeploeterd. Sommige van de muzikale wegen die ze nam, kon ik volgen. Andere niet. Maar dat maakt niet uit: ieder vindt zijn eigen weg en maakt daar ook zijn eigen soundtrack bij.

Ik krijg literatuurlessen van een leraar die van TC Matic houdt en van Arno Hintjes. Mijn vrouw houdt helemaal niet van Joni Mitchell. Tsja: iedereen moet zijn eigen weg zoeken. De leerlingen die ik nu dagelijks voor mijn neus krijg, zijn ook allemaal op zoek. Eerlijk gezegd hoop ik dat ze nog heel lang blijven zoeken, tasten, proeven, proberen. Misschien vinden ze ook wel hun eigen Joni Mitchell, of een andere muzikant om ze daarbij te begeleiden.

Meer informatie over Joni Mitchell en Hejira vind je op http://nl.wikipedia.org/wiki/Joni_Mitchell

woensdag 5 januari 2011

Wise as a serpent, harmless as a dove


Gerry Rafferty (1947-2011)

Vroeger had je èchte fans van een popartiest of een band. Die wisten alles van zo'n artiest. Hoe zijn moeder heette, met wie hij het bed gedeeld had, wanneer zijn 8e single op 17 was gekomen in de Top-40, welke gitarist had meegespeeld op zijn 3e album, wat zijn favoriete eten was.

Tegenwoordig heb je fans die zeggen 'Justin Bieber is mijn grootste fan', waarmee ze bedoelen dat die inhoudsloze boy-hunk die via Youtube beroemd werd, hun idool is. Maar afgezien van zijn eventuele vriendinnetjes weten ze eigenlijk niks van zo'n jongen. Waarschijnlijk omdat er ook niks is wat de moeite van het onthouden waard is, maar dat terzijde.

Zelf heb ik er altijd een beetje tussenin gezeten. Van Gerry Rafferty bijvoorbeeld wist ik dat hij samen met de latere komiek en acteur Billy Connolly de Humblebums had gevormd (met een paar prachtige liedjes en een hoop quasi-folk-rommel als resultaat), daarna een tijdje solo had gewerkt, toen een aardig succes had met Stealers Wheel samen met Joe Egan (o.m. 'Stuck in the middle with you') en tenslotte wereldsucces kreeg als soloartiest. Ik kocht zijn eerste elpee (City to city) uit die periode kort na verschijnen in 1977, natuurlijk vanwege het legendarische 'Baker Street'. Grappig genoeg deed ik dat vooral omdat die titel mij als Sherlock Holmes-lezer intrigeerde, maar de plaat werd al snel één van de 'soundtracks of my life'. Dat album heb ik een paar keer opnieuw moeten kopen, omdat het bij het beëindigen van alweer een relatie in háár platenkast bleef staan ('Elpee van jou, elpee van mij'). Maar verder wist ik niet zo veel van de man.

Gisteren (04-01-'11) overleed Gerry Rafferty, en als je vandaag op Twitter kijkt, heeft iedereen het alleen maar over 'Baker Street' en de prachtige saxofoonsolo (van Raphael Ravenscroft), alsof de man verder niks van waarde geproduceerd heeft in zijn leven. Je zou er haast van aan de drank raken, en dat heeft Rafferty dan ook gedaan. De laatste tien jaar worstelde hij met een groot drankprobleem en kwam hij daar regelmatig door in de problemen. Ik herinner me ook een interview in People & Music van een jaar of zes geleden, waarin hij uitlegde dat hij zichzelf te lelijk vond om op te treden. Wat een treurig einde van een waardevol leven.

Want waardevol wàs het. De juweeltjes van zijn hand stonden niet alleen op 'City to city'. Veel van het Humblebums-werk is prachtig, evenals het eerste solowerk vóór de Stealers Wheel-periode. Maar ook na 1977 heeft hij de wereld regelmatig momenten van grote schoonheid gebracht. Ik denk bijvoorbeeld aan 'The Royal Mile' en 'Get it right next time' van Night Owl uit 1979. Aan de keltische klanken van 'North and south' uit 1988; aan de spirituele teksten van het album 'A wing and a prayer' uit 1992 en dezelfde tekstuele worstelingen op het album 'Another world' uit 2003.

Maar de bovenste hoogtepunten staan voor mij toch op het album 'Sleepwalking' uit 1982. Muziek en teksten gaan door merg en been. Dit zijn de wanhoopskreten van een man die worstelt met zichzelf, zijn relaties, zijn leven, zijn succes. 'You've got to be wise as a serpent, harmless as a dove'. De destijds niet erg succesvolle single 'Sleepwalking' van dat album gaat over slapeloze nachten en het verlangen naar rust van een rusteloze ziel. Ik hoop dat zijn ziel nu de rust gevonden heeft.

Ik heb Gerry Rafferty tot mijn spijt nooit live zien optreden, maar zijn albums zullen mij altijd dierbaar blijven. Ik ben een fan.

donderdag 9 december 2010

De dood als studiegenoot


De literatuur zit er vol mee: droevige verhalen over de dood en de erop volgende rouw van de achterblijvers. Veelal raakt me dit; soms kan ik zelfs niet met droge ogen verder lezen. Onlangs overkwam me dat nog met een jeugdboek waarin de verstikkende rouw zó goed beschreven was, dat ik me helemaal kon inleven. In de trein heb ik het boek meermalen weg moeten leggen omdat ik me schaamde voor mijn openbare tranen.

De deeltijd-lerarenopleiding die ik sinds 2009 volg heeft een heel gemêleerde klas van dertig man opgeleverd. De jongste medeleerling is vooraan in de twintig, de oudste zesenvijftig. Toch is vreemd genoeg de dood al vele malen op bezoek geweest in de familiekringen van dit gezelschap.

De eerste lessen werden al gemist door een van de jongere leerlingen omdat haar vader aan het begin van het schooljaar plots overleden was. Enkele maanden later werd een medeleerling 'van middelbare leeftijd' bij het tentamen weggeroepen omdat haar vader onwel was geworden op vakantie. Hij overleed die nacht nog. Mijn moeder overleed na een kort ziekbed in het voorjaar. Enkele weken later was opnieuw een van de jongere meiden aan de beurt. Haar vader was enige tijd ernstig ziek en overleed aan het begin van de zomer. En alsof dat nog niet genoeg was, kwamen een oom en tante van haar enkele weken later om bij het vliegtuigongeluk in Tripoli. De moeder van onze seniorstudent overleed, zij het op een respectabele leeftijd. Op dit moment ligt er opnieuw een vader op sterven. En in de familie van de weggeroepen medestudente koos ook nog iemand zelf voor het einde.

Je moet wel van steen zijn om daar niet op zijn minst een beetje door van je stuk te raken. Al die sterfgevallen binnen pakweg 14 maanden: het kan niet een kwestie zijn van leeftijd, want de achterblijvende studenten variëren van 22 tot 56. Het is dus blijkbaar puur toeval dat de rouw ons zo frequent rauw op het dak valt. 'Rouw past klas NE DT-1'.

Voor mij heeft de dood en het verdriet altijd te maken met muziek; daar ligt voor mij gewoon een directe emotionele verbinding. Maar één keer heb ik een mini-gedichtje geschreven in zo'n situatie: aan het sterfbed van mijn broer die door zijn ziekte in korte tijd ernstig vermagerd was. (Ik wilde het eerst hier opschrijven, maar het is bij nader inzien toch te persoonlijk. Sorry!)

Mijn ouders zijn inmiddels ook allebei overleden, naast vele anderen die ik liever wat langer had willen meemaken. Maar nog altijd word ik alleen maar sprakeloos van de dood. Nog altijd voel ik me onbeholpen en sta ik maar wat te stamelen bij een sterfgeval. Nog altijd zoek ik nerveus naar woorden die kunnen uitdrukken wat ik voel aan sympathie, aan mederouw en meebeleefd verdriet. Meestal kan ik ze niet vinden.

De dood slaat mij iedere keer weer met stomheid.

vrijdag 3 december 2010

En nu even iets heel anders


Afgelopen donderdag werd ik via de mail verrast door ClassicFM: diezelfde avond nog mocht ik met Annemiek naar het Muziekcentrum Frits Philips (dat tegenwoordig na een kostbare verbouwing heel hip opeens 'Muziekgebouw' genoemd moet worden). Lars Vogt, pianist, en The Northern Sinfonia Newcastle o.l.v. Thomas Zehetmair deden een aantrekkelijk programma: Charles Ives' Unanswered Question werd gecombineerd met HET vijfde van Beethoven *1) en DE Schotse van Mendelssohn.

En tijdens het genieten van dat meeslepende concert vielen mij een paar dingen op en een paar dingen in.

Uitstervend ras
Allereerst: hoewel wij beiden rond de vijftig zijn, waren we in de halfgevulde zaal -op een man of zes na- de jongsten in het publiek. Van sommige stokoude gasten was ik zelfs niet zeker of ze de avond wel zouden overleven, met zoveel himmelhoch jauchzende romantiek. Dat laatste bleek gelukkig mee te vallen, maar desondanks wordt het mij steeds banger te moede dat het met de belangstelling voor klassieke muziek echt een aflopende zaak is. Een aantrekkelijk programma met aansprekende en herkenbare romantische werken, gecombineerd met een hapklare moderne brok (uit 1906 alweer!): dat zou toch een breed publiek moeten kunnen aanspreken.
Niet dus. Waar moet dat heen?

Van de stoel geblazen
Een tweede gedachte die bij mij opkwam, was een dierbare herinnering. Mijn allereerste ervaring met een orkest in een concertzaal was toen ik door mijn oudste broer werd meegenomen naar Het Brabants Orkest met pianist Nelson Freire, naar ik meen in de schouwburg in Eindhoven. Dat moet ongeveer in 1970 zijn geweest en ik was een jaar of twaalf. In mijn herinnering heb ik toen het pianoconcert van Schumann en de ouverture 'Cyrano de Bergerac' van Johan Wagenaar horen uitvoeren, maar dat weet ik niet zeker meer. *2)
Wat mij destijds van mijn stoel blies, was de orkestklank. Thuis hadden wij een mooie oude Telefunken buizenradio met elektrostatische speakertjes voor extra hoge tonen, maar wat ik hier hoorde aan boventonen, klankkleur, stereo-spectrum en dynamiek was een openbaring. Nog nooit had ik zoiets moois gehoord. Ik was verpletterd door deze klankpracht en voorgoed verknocht aan klassieke orkestmuziek en aan pianoconcerten in het bijzonder.

De leugen
Het derde punt dat ik gisteren zat te bedenken tijdens Beethoven, was iets wat ik 'de leugen van het opgenomen pianoconcert' zou willen noemen. Ga naar een willekeurig concert in een concertzaal waarbij een pianoconcert (met orkest dus) wordt uitgevoerd en onderga het geheel. Beluister daarna thuis een opname van datzelfde pianoconcert en hoor het verschil.
Thuis hoor je elk detail van de pianoklank, en de piano klinkt op zijn minst even hard en duidelijk als al die 80 andere muzikanten bij elkaar.
Maar nu 'the real thing' in een concertzaal. Waar je je ook bevond in de zaal, uitgezonderd misschien als je direct met je neus voor pianist en dirigent zat, altijd hoorde je voor een deel de pianoklank verloren gaan in het orkestgeluid. En feitelijk is het zo ook bedoeld door de componist. Die heeft daar bij het schrijven rekening mee gehouden door bijvoorbeeld de belangrijke pianothema's en -omspelingen te laten begeleiden door een klein deel van het orkest, of door een flinke glissando van de piano te laten opkomen uit een wegstervende orkestklank.
Ik zeg niet dat het lelijk is of fout, dat de opnametechnici zo foefelen met de balans tussen solist en orkest. Uiteraard vind ik het fijn om alle nuances van de solist te horen en misschien is de componist postuum ook wel blij dat het allemaal nu méér in overeenstemming is met hoe hij het eigenlijk had willen hebben.

Maar het blijft foefelen. En het concert was heel erg mooi!

*1) DE vijfde van Beethoven is zijn 5e symfonie; HET vijfde van Beethoven is zijn 5e pianoconcert. Kwestie van woordgeslacht en jargon dus.
*2) Naamgenoot Professor Willem Wagenaar heeft heel interessante dingen gepubliceerd over de gekleurde en leugenachtige werking van onze herinneringen. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Albert_Wagenaar

woensdag 1 december 2010

Wij zouden het héél anders doen!


Didiclass heette het. Een dvd vol met filmpjes van beginnende docenten, vaak stagiaires, die worstelden met een probleem, inclusief bespreking van dat probleem. Het materiaal werd gebruikt tijdens onze eerste lessen Flankerend Onderwijs (didactiek) in ons eerste studiejaar.

En wat hadden we een lol om al die 'probleempjes'. Opmerkingen van leerlingen over kleding van de juf; ordeproblemen; de verhouding met andere docenten; te veel strafwerk uitdelen; te weinig strafwerk uitdelen; strenger zijn; iedere leerling de aandacht geven die hij verdient; begrijpelijke instructies geven; zinvol laten samenwerken; huiswerk opgeven en hopen dat het gemaakt wordt; differentiëren; een kind dat steeds gepest wordt; hoe om te gaan met de echte ettertjes: het kon allemaal niet op.

En wij wisten het zeker: zulke domme fouten zouden wij zeker niet maken, want a.) we hadden nu wel onder de knie hoe je dat allemaal kon voorkomen en b.) het waren toch eigenlijk geen echte problemen, dus waar maakten die beginners zich nou helemaal druk over?

Wittebroodsweken
Inmiddels zijn we allemaal een beetje sadder and wiser: allemaal maken we dezelfde fouten, gaan we door dezelfde hel (of minstens door een louterend vagevuur), herhalen we de fouten van onze voorgangers, worstelen we met precies die problemen en trekken we ons 's avonds de haren uit het vermoeide hoofd hoe we dit nu moeten gaan oplossen.
En het stomme is: tot gisteren dacht ik ook nog dat het wel vooral aan mij zou liggen. Ik was gewoon te optimistisch begonnen en mijn medestudenten annex jonge leraren wisten natuurlijk veel beter om te gaan met al die dingetjes.

Maar nee hoor! Tijdens onze nieuwste lessen didactiek werd deze week geïnventariseerd wie er allemaal met didactische en pedagogische problemen worstelt. En het ene na het andere verhaal bleek mijn eigen verhalen te spiegelen. Iedereen struikelt regelmatig en heeft het gevoel dat hij zich op sommige dagen door dikke lagen modder heen moet slepen. Iedereen vraagt zich bij tijd en wijle af waar hij aan begonnen is. En iedereen merkt dat de wittebroodsweken met de nieuwe klassen inmiddels voorbij zijn en dat de harde realiteit je op sommige dagen als een vloedgolf overspoelt.


Wat is dit een moeilijk vak en wat heb ik in retrospect een enorm ontzag voor mijn vroegere middelbareschoolleraren, zoals Van Hengstum (wiskunde), Bronkhorst (muziek) en Verstegen (godsdienst), die een kleine veertig jaar geleden probeerden om als jonge docent grip te krijgen op de mondige vwo-klas waar ik in zat. Maar ja: titaantjes waren wij, en dat moesten we bewijzen ook. En hormonen hadden wij ook al...

Geduld en uithoudingsvermogen zijn nu mijn stut en steun. Want tussen droom en daad staan leerlingen in de weg, en puberende barbaren.

vrijdag 26 november 2010

Balgevoel


Op één dag gebeuren er twee uiteenlopende dingen.

R. uit de eerste had al een strafopdracht te pakken, omdat hij de gewoonte niet kan onderdrukken om overal en altijd luidop commentaar op te geven. Ik ben niet tevreden met het ingeleverde werk maar besluit het -met wat opmerkingen- toch aan hem terug te geven en het voorval af te sluiten.
Opeens zie ik hem zitten bladeren in een 'begeleidingsboekje' van een medeleerling die dat iedere les aan de leraren afgeeft om zijn gedrag te becommentariëren. Hoe komt R. daar nu aan? Zojuist lag het nog op mijn bureau, toen R. even iets op het bord kwam ontleden. Heeft hij dat nou echt gepikt van mijn bureau? Ik word er zó boos over, dat ik -tegen mijn gewoonte in- R. publiekelijk erop wijs dat hij hiermee een forse overtreding heeft begaan en dat ik stomverbaasd ben over dit brutale gedrag. Enkele medeleerlingen wijzen me er fijntjes op dat ik zelf het boekje in gedachten op R. tafeltje heb gelegd toen ik even iets tegen hem zei.
Daar sta ik met mijn goeie gedrag! Komende maandag zal ik dit toch met R. recht moeten trekken, als ik mijn eigen rechtvaardigheidsgevoel wil kunnen handhaven.

Op het eind van de volgende les, ook aan een brugklas, blijven na de les een aantal kinderen een beetje rondhangen en ze beginnen spontaan te vertellen. Over andere leraren die wel of niet leuk zijn, over medeleerlingen, over de vermoeienissen van een schoolkind. Ze willen weten of het boek dat ze lezen goed genoeg is voor het fictiedossier en of ik alle boeken zelf gelezen heb, die ik bij een boekentoets zie langskomen. Na een paar minuten moet ik ze gewoon de deur uit schoffelen, omdat ik maar kort pauze heb en daarvoor het hele gebouw met ingebouwde kinderzee moet doorworstelen.

Wat bewijst dit nu?
Dat ik een mens ben, geloof ik... Ik ben geen goede leraar, ik ben geen slechte leraar. Blijkbaar ben ik gewoon voorlopig nog een beginnende leraar, die fouten maakt en dingen goed doet. Die worstelt met zijn bedoeling om aardig en rechtvaardig te zijn, maar waarbij dat in de praktijk wel eens wil botsen met de bedoelingen en belangen van leerlingen.

En opeens moet ik denken aan Hiëronymus Van Alphen: 'Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen'. Krijgt die ouwe betweter verdorie opeens toch nog gelijk: Mijn leraarschap is spelen en leren tegelijk. Ik leer ieder uur dat ik voor de klas sta, en ik geniet eindeloos van het spel dat de leerlingen en ik daarbij met elkaar spelen.

Alleen moet ik mijn balgevoel toch nog beter ontwikkelen.